Als samenwerking goed loopt, voelt het als een Argentijnse tango - zonder vaste structuren zetten we met elkaar de juiste stappen.
Wat zijn dan toch die patronen die ons tegenhouden om samen de juiste stappen te zetten? Dat houdt mijn team en mij bezig in de veranderingen die we begeleiden.
FairChild DeepChange - http://www.fairchild.nl
Archive
Patronen in verandering
Als samenwerking goed loopt, voelt het als een Argentijnse tango - zonder vaste structuren zetten we met elkaar de juiste stappen.
Wat zijn dan toch die patronen die ons tegenhouden om samen de juiste stappen te zetten? Dat houdt mijn team en mij bezig in de veranderingen die we begeleiden.
We komen veel organisaties tegen die bezig zijn met de vraag hoe ze sneller meer waardevolle producten en diensten kunnen leveren. Het startpunt is een organisatie die niet op snelheid ingericht is maar op waarden als efficiency of beheersbaarheid. Je ziet dan afdelingen die zich bezighouden met een specifieke bedrijfsfunctie. Veranderingen en niet-reguliere vraagstukken worden projectmatig aangepakt met tijdelijke teams die de uitdaging hebben om de veranderingen te laten landen in een lijnorganisatie. Een lijnorganisatie die met de uitvoering van het jaarplan bezig is, en niet staat te juichen als daar de volgende verstoring doorheen komt.
Een organisatie die zo ingericht is, heeft het moeilijk als de omgeving dynamischer wordt. Een verandering in producten of diensten vergt een nieuw project dat pas na een gedegen vooronderzoek opgestart kan worden en dat een doorlooptijd kent van vele maanden. Vanuit de lijnorganisatie zelf is het vrijwel onmogelijk om substantiële veranderingen door te voeren, want je bent maar verantwoordelijk voor een deel van het product of de dienst.
Agile!
Agility of wendbaarheid op zijn Nederlands, vraagt dat je snel in kunt spelen op voor jou relevante dynamiek. Dat je je product en / of dienstverlening aan kunt passen als dat nodig is of waar dat kansen biedt. Dit betekent dat je de dynamiek moet herkennen, moet weten wat een passend antwoord is, en dan in staat moet zijn om dat antwoord snel te geven - als organisatie.
In het klein is er veel ervaring opgedaan met inspelen op dynamische vraagstukken, door het werken met agile ontwikkelmethoden. In alle organisaties waar wij mee werken, zijn er teams die iets “agile-achtigs” doen. Je vindt ze vooral binnen IT maar ook steeds meer daarbuiten. Wat maakt dat deze methoden helpen om in te spelen op dynamiek is onderwerp van een ander artikel.
Vanuit de goede ervaringen met agile ontwikkelen, ontstaat de behoefte om dit op grotere schaal toe te passen om op die manier een antwoord te vinden op de uitdaging om organisatiebreed sneller in te kunnen spelen op veranderingen. Maar dit is nog niet zo eenvoudig. Wat werkt op het niveau van een team, werkt nog niet zomaar op het niveau van meerdere teams, laat staan op het niveau van een hele organisatie.
Schalen
Gelukkig zijn er meer plekken waar ze hierover nagedacht hebben. Er zijn al de nodige best practices (of: frameworks) van het schalen van agile werken waaruit je kunt putten - zie ook de links onderaan dit artikel. In de praktijk komen wij vooral Scaled Agile Framework (SAFe) tegen en in mindere mate Scrum@Scale en Large Scale Scrum (LeSS). Ook de matrixstructuur van Spotify wordt veel als voorbeeld aangehaald.
Voor ons vormen deze modellen en implementaties inspiratiebronnen. Ze bevatten structuuroplossingen die de samenwerking tussen grotere groepen medewerkers ondersteunen met zo min mogelijk coördinatie.
Welk model een goede inspiratiebron vormt, hangt af van het vraagstuk - waar zijn we naartoe onderweg en waar staan we nu? Er zijn zelfs situaties waarbij een inspiratiebron nu heel erg helpt maar gaandeweg overboord gegooid moet worden. Dit zien wij bijvoorbeeld bij SAFe - een model met veel lagen, rollen en besturingsproducten. Dit sluit goed aan bij een organisatie die bureaucratische kenmerken heeft. Het SAFe model geeft ruimte aan teams die op basis van agile werkprincipes samenwerken aan een product of dienst, terwijl ook de rollen en verantwoordelijkheden uit de “oude” organisatie een plek krijgen. Zo krijgt het verhogen van wendbaarheid op grotere schaal (meerdere teams) een goede kans.
Zo kunnen modellen dus ook een onderdeel van de veranderstrategie zijn. Wendbaarheid betekent namelijk in onze ogen ook dat de vorm waarin we samenwerken continue aan gesleutel onderhevig is. Er is geen “end state”.
Lokaal en eenduidig
Aan de slag gaan met schaling is balanceren tussen ruimte laten (“waarom is hier niet al over nagedacht?”) en structuren bieden (“dat gaat hier dus echt niet werken”). We zijn met zijn allen een organisatie waarin we met elkaar iets te doen hebben. Dit betekent dat we minimaal een set aan uitgangspunten hebben hoe we ons werk organiseren. Daar bovenop kunnen we keuzes maken in hoofdstructuur, rollen, ceremonies, werkmethoden, etc.
Een “hele systeem”-blik is bij het kiezen van de uitgangspunten een vereiste: wat is er nodig en waar moeten we vooral afscheid van nemen als je niet alleen individuele teams maar een hele organisatie wendbaar wilt laten zijn.
Belangrijk om hierbij te beseffen is dat wendbaarheid lokale oplossingen vraagt die lokaal – bij ieder team en in de samenwerking tussen teams – moeten worden vormgegeven. Wendbaarheid vraagt ruimte. Die ruimte staat altijd op spanning met de behoefte om de manier van werken binnen een organisatie te standaardiseren.
Minder structuur bieden is mogelijk als de bedoeling helder is – zowel op het niveau van het werk wat we te doen hebben als de manier waarop we dat werk doen. Professionals zijn prima in staat om vanuit die bedoeling te bepalen wat hen te doen staan en hoe dat te organiseren.
Doorbreken van patronen
Dit vraagt van managers dat ze een andere rol gaan vervullen. Het organiseren van werk komt bij het team te liggen. Management kan helpen bij de groei van het team richting zelforganisatie en bij het oplossen van obstakels die buiten het bereik van de teams liggen.
Nieuwe manieren van samenwerking vormgeven betekent vaak ook oude patronen doorbreken. Patronen tussen management en medewerker, tussen verschillende bloedgroepen (specialismen, vroegere afdelingen). Deze patronen zijn ingesleten over een lange periode en meestal niet zichtbaar voor de mensen die er een rol in spelen. Hoe je patronen bespreekbaar kunt maken komen we in een volgende post op terug.
Verder lezen over schalingsmodellen van agile werkprincipes?
In onze verandertrajecten zien we regelmatig de negatieve effecten van inputsturing. Input is bij kenniswerk makkelijker te meten en de meeste meetsystemen zijn rondom input opgezet: hoeveel uren hebben we aan welk werk besteed? Onder de aanname dat input en output direct aan elkaar gerelateerd zijn, gaan we sturen op bezettingsgraad (zorgen dat iedereen goed volgepland is, want dan leveren we maximaal), gaan we schuiven met codes (uitnutting moet kloppen met budget, want dan zijn we voorspelbaar), gaan we gemaakte uren relateren aan voortgang (aantal bestede uren zeggen iets over voortgang), etc.
Het is geen rocket science om in te zien dat hier een hoop aannames worden gedaan die in veel gevallen niet opgaan. Helaas blijven deze meetsystemen en meetmethoden in stand. Deels vanuit gewoonte maar deels ook vanuit onbekendheid - onbekendheid met dat het anders kan en hoe je dat dan doet.
In dit kader het ik met interesse “Leiding geven zonder cijfers” gelezen van Filip Vandendriessche en Han Looten. In het boek wordt outputsturing uitgelegd en worden de verschillen met inputsturing helder uiteengezet. Vervolgens gaan de auteurs in op wat er komt kijken als je outputsturing als leidend principe in je organisatie toepast - voor manager en medewerker.
Het boek is lichte kost en vooral goed te lezen als beeldvorming - wat is dat nou, die outputsturing? - en een handreiking om de discussie over input- en outputsturing in je organisatie aan te zwengelen.
Een belangrijke constatering van de auteurs is dat een stap naar outputsturing vereist dat er vertrouwen is binnen de organisatie van management in medewerkers v.v. Dit is wat mij betreft een centrale vraag die in meer van de bewegingen van het “nieuwe werken” of “nieuwe organiseren” een cruciale rol speelt.
Na het bespreken van de vraagtekens bij Agile werken zoals je dat
in de praktijk tegenkomt en de schoonheid die er in potentie in zit (zie voorgaande blog posts), is het
tijd voor een antwoord – hoe moet het dan? En zo volgde ons 7 stappenplan –
een instant bestseller. Ware het niet dat stappenplannen eerder een onderdeel
zijn van het probleem, dan van de oplossing. Toch is er op basis van de
besproken vraagtekens en verandertheorie en –praktijk wel iets te zeggen.
De obstakels en valkuilen overziend is onze eerste conclusie
dat Agile weliswaar veelbelovend is en in veel opzichten antwoorden heeft voor
de klassieke problemen die in IT-organisaties voorkomen, maar dat de impact
sterk afhangt hoe Agile wordt begrepen, hoe het wordt geïntroduceerd en met
welke scope. Met de ideeën van complex responsive processes (Stacey, 2003) in
het achterhoofd is het belangrijk om ook de rol van de veranderaar/begeleider
niet te overschatten.
Agile
op een Agile manier
Al reflecterend op onze ervaringen met de introductie van
Agile werken zie ik dat Agile antwoorden kan bieden als het proces waarmee
Agile wordt geïntroduceerd zelf Agile wordt vormgegeven. Waarin voor mij de
Agile principes “individuals and interactions” en “responding to change” eruit
springen.
Voor mij roepen individuen, interacties en inspelen op
verandering een beeld op van dansen met elkaar. Als we dat goed doen zijn we
terug bij de schoonheid die ik zoek. Overigens zie ik die schoonheid niet in
zomaar iedere dans. Voor mij is het hier de Argentijnse Tango die we gaan
aanschouwen. De Argentijnse Tango kent basisfiguren maar geen patronen. De
danspatronen ontstaan in interactie tussen de dansers.
Vrijheid
en duidelijkheid
In Agile werken als dansen, speelt het begrip participatie
als gezamenlijk bewegen in elkaars nabijheid (Brohm & Muijnen, 2010/2) een
centrale rol. Dit vereist bewegingsvrijheid maar zoals eerder betoogd is
vrijheid ook niet alles. Op een Agile wijze Agile werken introduceren betekent
dan ook niet dat er geen kaders zijn. Vanuit de dansmetafoor zijn er
basisfiguren en het helpt als alle deelnemers die kennen. Daarnaast is het bij
het leren belangrijk dat je feedback krijgt op hoe je danst, van je
danspartner, van je leraar en die meedogenloze spiegels aan de muur. In een
stap naar meer Agile werken is het niet anders. Er zijn basisprincipes en
methoden die prima helpen om de samenwerking op gang te brengen of te
verbeteren. Hierbij spelen korte feedback loops een belangrijke rol en is er
zeker een plek voor meten en rapporteren – voor zover dit bedoeld is om het
eigen werk te verbeteren.
Het werken met deze basisprincipes vereist balanceren omdat
“volgens het boekje”-werken op de loer ligt. Hiermee bewegen we weg van de
lokale werkelijkheid en van met elkaar dansen. Het lerende karakter kan echter
onderstreept worden door weg te blijven van de standaard termen – door
bijvoorbeeld wel een aantal Scrum methoden te kiezen en hiermee een houvast te
geven maar deze methoden andere namen te geven (zo blijkt er meer ruimte om
kritisch na te blijven denken als je iemand “flow master” noemt, ook al doet
hij verdacht veel dingen die een – in vele boekjes tot in detail gedefinieerde
- “Scrum master” doet). Hiermee kan de verandering niet in een specifiek Agile
hokje worden geplaatst en blijft er meer ruimte om de toekomst met elkaar te
construeren.
In het construeren is het belangrijk om de verschillende
hiërarchische niveaus te betrekken. Zoals eerder betoogd verandert Agile werken
iets aan machtsverhoudingen in een organisatie. Als niet vanaf het begin de
belangen van alle betrokkenen aanwezig zijn bij het vormgeven van de
samenwerking, zal er weinig vertrouwen zijn bij die “laag” die met de
uitkomsten wordt geconfronteerd. Om goed te kunnen dansen, om te kunnen en
willen participeren, is vertrouwen belangrijk. Dit is een flinke opgave als je
start in een situatie waar het vertrouwen laag is.
De vraag hoe je dit met elkaar vormgeeft zou centraal moeten
staan in de verandering. Hanson (1976) geeft suggesties hoe het werkveld van de
manager en de professional ten opzichte van elkaar ingericht zouden moeten
worden. Hierin klinkt echter een geest uit het verleden door. Volgens mij is
hier niet één antwoord goed maar is de dialoog belangrijk.
Waar dit geldt voor verschillende niveaus binnen de IT organisatie,
geldt het ook voor de IT organisatie en haar klant(en). Agile erkent dat om
echt te kunnen dansen in een omgeving waar veel onzekerheid is over de vraag
van de klant, het belangrijk is dat die klant ook participeert. Dit is in veel
organisaties een grote verandering omdat er veelal gewerkt wordt met een demand
/ supply model waarin IT als leverancier wordt gezien door de “business” (de
non-IT afdelingen), die je via een loket of afgevaardigde “belangenbehartiger”
benadert. Het niet meenemen van de klant leidt ertoe dat het dansfeest
regelmatig wordt verstoord – de muziek gaat uit of er wordt ineens een ander
nummer opgezet.
Dit betekent dat Agile werken een organisatieverandering is
die niet beperkt is tot de IT afdeling. Dit betekent ook iets voor hoe een
dergelijk verandertraject wordt gepositioneerd – wie is de opdrachtgever, wie
doen er mee aan de analyse, wie zijn er betrokken bij de verandering? Bij het
beantwoorden van deze vragen is een keten-blik nodig: wie gaan er straks mee de
dansvloer op?
Het laatste dat ik in het kader van vrijheid en
duidelijkheid zou willen stellen is dat het introduceren van teamwerk en het
beleggen van verantwoordelijkheden bij teams vereist dat er aandacht is voor
het ontwikkelen van teams. Agile heeft geen antwoorden op teamdynamiek. Het
feit dat mensen dagelijks bij elkaar staan bij een bord en dat ze iedere drie
weken reflecteren op het werk dat ze hebben gedaan, maakt niet dat ze als team
stappen maken. Juiste het werken aan de “zachte waarden” is cruciaal om ervoor
te zorgen dat er werkelijk samen gedanst wordt, in plaats van dansen naar de
pijpen van een nieuw (meet)systeem.
Betekenisvol
Participatie in het dansen vereist dat de veranderingen, het
verandertraject en de eventuele begeleider(s) aansluiten op de lokale
werkelijkheid. Een werkelijkheid die steeds geherdefinieerd wordt en zo
verandert. Het proces is een deling en herijking van betekenissen – over hoe
het nu gaat, wat we voor ogen hebben en welke stappen we moeten nemen. We
zetten stappen en evalueren de uitkomsten, om zo ons pad weer bij te stellen.
Het veranderen zelf is dan ook geen van buitenaf opgelegd verandertraject maar
ontstaat vanuit de groep mensen die met elkaar aan het dansen slaat.
Veranderingen verlopen op deze manier kleinschalig (binnen een groep van met
elkaar samenwerkende mensen). Dit kan best tegelijk op meerdere plekken in een
organisatie gebeuren, maar in hun wezen zijn dit verschillende veranderingen.
Goed begrijpen hoe het nu gaat – als basis om te begrijpen
wat er nodig is – betekent ook het begrijpen van de patronen waarin iedereen nu
gevangen zit. De overtuigingen die schuil
gaan achter die conflicten staan het dansen in de weg. Ze blokkeren mensen om
een stap te zetten naar de dansvloer en ze blokkeren mensen in hun bewegingen
op de dansvloer. Voor ons betekent dit dat het zoeken naar en bespreekbaar
maken van patronen een centraal punt moet zijn bij iedere verandering richting
schoonheid - hierover meer in een volgende blog post. Het vinden en onderzoeken van de heersende patronen is een
zoektocht die de in een verandering betrokken medewerkers en begeleider(s)
samen maken.
Vanuit samen onderzoeken, sluit de veranderaar aan bij de
bewegingen in de organisatie en neemt zo invloed op de richting. Hiermee
ontstaat steeds een andere uitkomst die toch steeds weer Agile kan heten.
In voorgaande blog posts hebben we mechanismen gedeeld die
de kracht van Agile in de praktijk beperken. Toch heeft de Agile-beweging wel
het nodige in huis om de kwaliteit van het (samen)werk(en), de kwaliteit en
omvang van het geleverde en de flexibiliteit te vergroten. Het contrast is het
grootst als je Agile plaatst naast de principes van bureaucratische
organisaties waarbinnen mensen als productie-eenheden worden beschouwd, zoals
treffend betoogd wordt door Kuipers et al (2012): De kern van onze kritiek op “het bureaucratisch model” is dat
zij in complexe en dynamische omstandigheden haar doelstelling van
beheersbaarheid van grote sociale systeem door complexiteitsreductie niet
bereikt maar - ironisch genoeg - juist het tegendeel in de hand werkt. Als men
mensen tot dingen wil reduceren loopt men, afgezien van het moreel ethische
aspect, tegen twee in bedrijfskundig opzicht ernstige problemen aan. Het eerste
probleem is dat mensen zich niet laten reduceren tot dingen. Pogingen dat wel
te doen gaan gepaard met vele disfuncties die te maken hebben met de kwaliteit
van de arbeid. Het tweede probleem is dat de bureaucratie de complexiteit van
de organisatie probeert te reduceren door mensen als eenvoudige dingen te
behandelen. Dit kan alleen door de complexiteit van de structuur van de
organisatie drastisch te vergroten.
Al heel lang wordt dit tegengeluid in de wereld gezet vanuit
de sociotechniek. De moderne sociotechniek zet een aantal organisatieprincipes tegenover
dit bureaucratische model en – zoals we zo zullen zien – blijkt Agile daar goed
aan te voldoen. Bedenk daarbij wel dat Agile een label is voor een breed scala
aan verschillende manieren van werken (binnen met name IT). De uitgangspunten
zijn op hoofdlijnen dezelfde – ze volgen allemaal het Agile Manifesto - maar iedere Agile vorm heeft zijn eigen
receptenboek met een voorgeschreven structuur, werkprocedures en besturing
(Larman, 2004). Het ene receptenboek is wat dikker dan het andere. Veel van de
inspiratie voor Agile komt uit de hoek van productontwikkeling (Takeuchi &
Nonaka, 1995) en uit het Lean gedachtegoed (Womack & Jones, 1996). In haar
praktische uitwerking (meestal Scrum of een afgeleide versie) komt Agile bekend
voor als je het projecteert op de principes van de moderne sociotechniek. Wat
in ieder geval terugkomt:
Parallelliseren en
homogeniseren van werkstromen
Taakgroepen (teams
als eenheden)
Zelfcoördinatie
(regeltaken in het team)
Ondersteunende
informatie- en planningssystemen
In Agile implementaties (zoals Scrum) komen deze principes
als volgt terug: het werk wordt georganiseerd in vaste multi-skilled teams die
bij voorkeur werken voor een vaste groep klanten (1,2). Deze teams nemen niet
alleen de uitvoering maar ook een groot deel van de coördinatie van het werk
voor hun rekening (3). De regelruimte binnen de operatie neemt hierdoor toe.
Met behulp van een set aan processen die de samenwerking met de buitenwereld en
binnen het team faciliteren, ondersteunende middelen (4) en korte feedback loops
neemt ook de regelcapaciteit toe. Door afspraken over hoe teams met elkaar
samenwerken in een keten en over ketens heen wordt de regelbehoefte verkleind.
Systeem-dynamisch (met Ashby’s Law in het achterhoofd) een mooie oplossing om
gecontroleerde wendbaarheid te krijgen.
Naast gecontroleerde flexibiliteit levert deze
organisatie-inrichting nog meer voordelen. Door als een team een hele taak op
je te nemen krijgt het werk meer betekenis. In plaats van dat jij een ultiem
ontwerpdocument schrijft, of een stukje software codeert, ben jij samen met je teamleden
bezig om een product voor een klant te realiseren (in sociotechnische termen
neemt de kwaliteit van de arbeid toe). Door dit werk in zo kort mogelijke
iteraties te doen ontstaan korte feedback loops die nodig zijn om snel te
kunnen leren en de wijze van werken bij te kunnen stellen. In Agile wordt hier
aandacht aan besteed door na iedere iteratie een zogenaamde “retrospective” te
houden met het hele team. Blokkerende zaken binnen en buiten het team komen zo
op tafel. Of dit in de praktijk zo uitpakt hangt van nogal wat zaken af (zie de
eerder beschreven mechanismen).
Parallel aan de Agile beweging binnen IT zie je
vergelijkbare bewegingen in andere organisatiedomeinen – deels ongetwijfeld
geïnspireerd door het succes van Agile binnen IT. ING gaat daarin zo ver dat ze
Agile met al haar terminologie (zoals “squad” voor een team) organisatie-breed
heeft doorgevoerd. Stephen Denning (2010) heeft de principes vertaald naar wat
hij “Radical Management” noemt – een manier om de hele organisatie op een Agile
wijze te besturen.
Er zijn – zeker daar waar Agile principes organisatiebreed
worden toegepast - duidelijk parallelen te herkennen in de ontwikkeling van organisaties
richting het stadium van “levend organisme” zoals beschreven door Frédéric
Laloux (2014, zie onderstaande figuur voor de ontwikkelstadia die hij herkent).
Een voorbeeld dat door Laloux wordt aangehaald is het Nederlandse BuurtZorg. Je
kunt het hem zelf hier horen vertellen.
Met Agile bewegen we naar een implicieter
coördinatiemechanisme dan de klassieke interne controle binnen de bureaucratie.
Dit coördinatiemechanisme is gebaseerd op participatie van de medewerkers.
Zoals Brohm en Muijen (2010/1) het
verwoorden: Participatie gaat uit van
vrijwilligheid van de werker om te doen wat niet geëist wordt, om uit te voeren
zonder supervisie, om te handelen op basis van eigen inzicht en motivatie. Het
gaat uit van vertrouwen tussen verschillende partijen, zodat er niet uitsluitend
wordt gehandeld uit eigenbelang, maar ook vanuit gezamenlijk belang.
Agile heeft zo beschouwd goede papieren om de wereld binnen organisaties
een stuk mooier te maken.
…Waarom werkt dat agile toch niet altijd en overal? Ik herken een paar mechanismen die ik graag zou willen delen in de komende blog posts…
In een poging om helderheid te krijgen over de manier van
werken, blijkt het prettig om terug te grijpen op voorbeelden (“best
practices”). Hier is het goede nieuws dat er in het geval van Agile meerdere
smaakjes met hun eigen receptenboek zijn. De meest toegepaste methode heet
Scrum en komt met een beschrijving van processen, rollen en werkmethoden tot op
het niveau van welke meetings nodig zijn met welke frequentie en welke agenda.
Een fijn gevoel in een verandering waar er al zoveel onzeker is. Voor zover het
om rechttoe rechtaan keuzes gaat, is het volgen van deze recepten een manier om
snel stappen te zetten.
In de praktijk blijkt dit echter een oplossing met een
vervelende bijwerking: we stoppen met kritisch denken. Dit werkt twee kanten
uit: er worden principes geïntroduceerd die niet nodig zijn en geen werkbare
oplossing bieden voor de situatie, of er ontstaat veel weerstand wanneer iets
juist niet volgens het boekje gaat (“we doen hier weer ‘Scrum in name only’” –
met de ondertoon dat het dús niet gaat werken). Het denken in deze recepten is
daarnaast een steunpilaar onder het denken in grootscheepse “uitroltrajecten”.
Als er een recept te volgen is, dan kan het toch niet moeilijk zijn om dat met
iedereen even in een plenaire sessie te doen. Hiermee ligt Agile als nietsbetekenende hype op de loer.
Een voor mij veelzeggende reactie vanaf de werkvloer op Agile als
weinig betekende hype is te vinden op de website
programming mo-fo (de domeinnaam doet al het nodige
vermoeden). In nogal expliciete taal geven de makers – software programmeurs –
aan dat Agile in welke vorm dan ook alleen maar de volgende hype is die het
echte werk in de weg staat: “We are a
community of mo-fo programmers who have been humiliated by software
development methodologies for years. […] We must destroy these methodologies that get in
the way of…Programming, Mo-fo.” Ze geven een ontnuchterend beeld
hoe het Agile Manifesto er voor de programmeur in de praktijk uitziet.
…Waarom werkt dat agile toch niet altijd en overal? Ik herken een paar mechanismen die ik graag zou willen delen in de komende blog posts…
Professionals zijn ook maar mensen (sic), en hebben de
behoefte om te weten of ze goed bezig zijn gegeven het doel dat ze proberen te
realiseren. Binnen de meeste Agile-aanpakken is in deze behoefte goed voorzien
met standaard meeteenheden, manieren en frequenties van meten en rapporteren.
Al deze informatie is bedoeld voor het team en gericht op het realiseren van
zoveel mogelijk kwalitatief goede software. Als dit goed ingericht is, kan een
team al lerende steeds beter voorspelbaar leveren en over tijd ook steeds meer.
So far, so good. In een klassieke hiërarchische organisatie
zijn er echter veel meer metertjes die gevolgd worden en die de juiste waarde
moeten krijgen. Dit legt een druk op teams om veel meer informatie te geven en
met veel meer zekerheid dan mogelijk is. Daarnaast worden er op verschillende
niveaus en plekken in de organisatie afspraken gemaakt over leveringen die
gevolgen hebben voor de operationele teams – zonder dat deze daar bij betrokken
zijn. De Agile werkwijze ondersteunt in zo’n geval enkel het opbouwen van een
panopticum: het team levert de informatie op basis waarvan het management meer
druk kan uitoefenen op het team richting commitments waar het team geen invloed
op heeft. Door de grotere transparantie kan het management vanaf het bureau
sturing geven aan de hele operatie op basis van zijn dashboard. Er zijn nieuwe
begrippen geïntroduceerd (squads, scrum master, etc.), het team is aangepast,
er zijn nieuwe procedures in werking getreden en nieuwe middelen in gebruik
genomen (een flowbord met gele briefjes) – maar voor de gemiddelde medewerker
is er niets veranderd.
Geconfronteerd met een management dat Agile gebruikt om grip
te krijgen op de uitvoering en zo beter te kunnen sturen op resultaten waar de
medewerkers in de uitvoering geen stem in hebben gehad, zie ik geen schoonheid
ontstaan. In de theorie en praktijk zie ik dan één van de volgende twee dingen
gebeuren:
Het team beweegt mee. Wat bedoeld
was als basis voor een lerende organisatie wordt een dashboard van een
panopticum. Het team laat zich vastpinnen op meeteenheden die initieel bedoeld
zijn als richting. Inschattingen worden commitments. In de praktijk valt het
werk nogal eens tegen en blijkt het heel moeilijk om “nee” te zeggen wanneer er
extra werk met hoge prioriteit wordt aangeboden. In dit soort gevallen wordt de
werkdruk regelmatig zeer hoog – vooral rondom voor de organisatie belangrijke
oplevermomenten. Het gevolg is stress-gerelateerde uitval.
Het team ontwijkt. De
professionals hangen aan hun autonomie en hebben de neiging om zo min mogelijk
informatie te delen om te voorkomen dat ze lastig gevallen worden met allemaal
(in hun ogen) zinloze vragen. Ze graven zich in, in hun eigen operationele
schuilplaats. Hier speelt het oerconflict weer op. De manager voelt een sterke
behoefte aan control en zoekt op allerlei manieren wegen om invulling te geven
aan die behoefte terwijl de professionals dit als ongewenste / irrelevante inmenging
zien. Deze strijd kan een tijd spelen maar levert geen houdbare situatie op.
…Waarom werkt dat agile toch niet altijd en overal? Ik herken een paar mechanismen die ik graag zou willen delen in de komende blog posts…
Aan de ene kant is er in organisaties een oerconflict (zie mechanisme #2) waarin
managers proberen medewerkers te laten doen wat ze willen terwijl aan de andere
kant professionals proberen om sturing en beheersing te vermijden. Zo bezien
lijkt een beweging naar meer autonomie een beweging die tot gejuich zou moeten
leiden bij de professionals. In de praktijk zie ik echter regelmatig dat dit
niet de reactie van de professionals is. De beweging naar meer autonomie wordt
ontvangen met weerstand vanuit een onzekerheid wat er nu verwacht wordt, wie er
dan wel de knopen gaat doorhakken - waar is de baas en waar zijn de piketpaaltjes?
Professor Hans Doorewaard (Radboud Universiteit) refereerde hier ooit aan tijdens één van zijn colleges door te wijzen op het “aangename van de kooi”. Hij gebruikte daarbij het beeld van Sisyphus die de goden tegen zich in het harnas wist te jagen.
Sisyphus werd veroordeeld tot het omhoog rollen van een grote steen tegen een heuvel. Iedere keer als de steen bijna boven is, rolt hij weer naar beneden en zo is Sisyphus tot het einde der tijden bezig met deze nutteloze bezigheid. Hans Doorewaard gaf aan dat je Sisyphus ook kunt zien als een tevreden mens met een duidelijke opgave en elke keer als hij boven op de heuvel staat bewondert hij het uitzicht en loopt met zijn handen op zijn rug fluitend naar beneden. Sisyphus is zonder hoop maar dit is iets anders dan dat hij hopeloos is. Professor Doorewaard is ongetwijfeld door Camus (1955) op dit pad gezet:
I leave Sisyphus at the foot of the mountain. One always finds one’s burden again. But Sisyphus teaches the higher fidelity that negates the gods and raises rocks. He too concludes that all is well. This universe henceforth without a master seems to him neither sterile nor futile. Each atom of that stone, each mineral flake of that night-filled mountain, in itself, forms a world. The struggle itself toward the heights is enough to fill a man’s heart. One must imagine Sisyphus happy
. Overigens legt Camus zelf de link tussen het absurde van de opdracht die Sisyphus heeft en het werkzame leven:
The workman of today works every day in his life at the same tasks, and this fate is no less absurd. But it is tragic only at the rare moments when it becomes conscious.
De ruimte die ontstaat, de vrijheid om de kooi te
verlaten – of in Camus’ termen de “consciousness” die ontstaat, is
klaarblijkelijk niet alleen maar winst:
Vrijheid
garandeert geen zekerheid, het leidt tot een hoop mentale pijn. In de praktijk
betekent het blootstelling aan ambivalentie. (Enzensberger 1989). Dit is
een onzekerheid die bovenop de angst en onzekerheid komt die verandering in
algemene zin oproept.
Zoals
Stacey (2003) het verwoordt:
Any
organizational change, any new knowledge creation, is by definition a shift in
patterns of communicative interaction, hence a shift in power relations and,
therefore, a change in the patterns of inclusion and exclusion. Anxiety is thus an
inevitable companion of change and creativity […].
…Waarom werkt dat agile toch niet altijd en overal? Ik herken een paar mechanismen die ik graag zou willen delen in de komende blog posts…
Een belangrijk element in het Agile werken is het
zelfsturende of zelf-coördinerende team. Dit is het element dat het sterkste
botst met de modus operandi in bureaucratieën.
De Caluwe en Vermaak (2014) beschrijven 5 vaste faalfactoren
bij zelfsturing:
1. De
taak van het team is niet autonoom genoeg 2. De
doelen zijn veel te ambitieus 3. Het
team is een geïsoleerd experiment in een ouderwets werkende organisatie 4. De
baas laat het team niet met rust 5. Zelfsturing
wordt vooral met de mond beleden
Het weerbarstige karakter van de bureaucratieën waarin ik
werk, leidt vooral tot punt 3, 4 en 5 en heeft alles te maken met de
machtsverhoudingen die onder druk komen te staan bij de implementatie van
zelfsturing. Het is een overgang van positioneel naar transactioneel
organiseren (Wierdsma, 2009): Bij positioneel organiseren is kenmerkend dat
de top zich verantwoordelijk voelt voor het geheel en verwacht dat de
medewerkers zich bekommeren om hun eigen deel. Maar als klantvragen meer gaan
verschillen en snelheid van handelen gewenst is, dan worden de beperkingen van
het positionele organiseren zichtbaar. Het teruggrijpen op regels en hiërarchie
werkt dan te traag en te beperkend. Samenwerking tussen medewerkers bepaalt nu
het succes. Positioneel organiseren richt zich op posities en deelbelangen. Bij
transactioneel organiseren daarentegen is er op alle niveaus een oriëntatie op
het leveren van bijdragen aan de transactie met de klant.
Kloosterboer (2015) noemt dit een ontstekingsbron: Dit lastige dilemma is ook te zien als
afgeleide van het universele streven naar coördinatie en beheersing vanuit de
leidinggevende positie en de al even universele drang naar autonomie en
handelingsvrijheid vanuit het niveau daaronder. Deze ontsteking zit ingebakken
in alle verticale relaties. Of het nu gaat om een raad van bestuur en hun
directeuren, of om een teamleider en zijn medewerkers.
We hebben hier te maken met een dilemma in de organisatie -
ook wel bekend als het oerconflict (Hanson, 1976). Het interessante in
organisaties met kenniswerkers is dat het helemaal niet zo helder is wie in dit
conflict de macht heeft. De manager wordt aangesproken op coördinatie en
beheersing maar zijn ondergeschikten hebben de kennis die nodig is om zicht te
hebben op de status van het werk. Als dit conflict niet erkend en aangepakt
wordt, staat het de ontwikkeling van zelf-coördinatie of zelfsturing in de weg.
…Waarom werkt dat agile toch niet altijd en overal? Ik herken een paar mechanismen die ik graag zou willen delen in de komende blog posts…
Wat me opvalt als ik kijk naar Agile
implementaties, is dat er veel gekozen wordt voor een groot
veranderprogramma waarbij sprake is van het uitrollen van een methode in plaats
van veranderen met mensen. Er zijn grote agile implementatiepartijen die vaste
recepten hebben om Agile te brengen. Ze bieden ook trainingen van twee dagen om
de cultuur mee te kunnen veranderen bij de implementatie – want die cultuur kan
nog wel eens lastig zijn.
De taal is blauw[1].
Dit is niet zo heel erg verwonderlijk als je naar het profiel van de gemiddelde
IT-er kijkt (van professional tot en met manager) en als je je beseft dat het
rationele nu de overhand heeft. De leidende overtuiging is dat de organisatie
maakbaar is en dat Agile prima recepten biedt die je kunt implementeren.
Het is wel wat opmerkelijk als je bedenkt dat
twee van de vier centrale uitgangspunten van Agile zijn:
Individuals and interactions over
processes and tools
Responding to change over
following a plan
Er is veel geschreven over de beperkte
maakbaarheid van organisaties en over het emergente karakter van veranderingen.
Homan beschrijft het mooi in Etcetera-Principe (2013). Hij maakt hierbij een
bricolage van verschillende theorieën zoals de complexiteitstheorie, fractals
en Complex Responsive Processes om aan te tonen dat planmatig veranderen een
kansloze exercitie is. Vroemen stelt dat “veranderen van organisaties” in dit
licht nogal aanmatigend is, en dat beïnvloeding het beste is waar we op kunnen
hopen (Vroemen, 2005).
Door wel top down een verandering door te voeren
ontstaat er vooral weerstand. Deze weerstand is bij professionals niet altijd
even goed zichtbaar maar toch desastreus voor de (samen)werking van/binnen de
organisatie. (IT) Professionals zul je minder snel met spandoeken bij het
hoofdkantoor zien staan. Zij hebben daarentegen door hun rol – die vraagt om
creatief inspelen op niet-standaard situaties in het werk
–
iedere dag de
mogelijkheid om iets niet op te pakken of niet te fixen, waardoor processen
niet meer lopen zonder dat iemand daar op aan te spreken is. Deze manier van
weerstand leveren staat bekend als pocket veto (ook wel: passive aggressive resistance). In een veranderproces betekent dit
dat het bewijs dat de nieuwe ideeën niet werken snel geleverd is.
[1] Naar de veranderkleuren van Caluwé en Vermaak (2014)
De wereld van IT-ontwikkeling staat al heel
lang bekend om haar onbetrouwbaarheid. Software projecten worden al zo lang
iedereen zich kan herinneren te laat geleverd en tegen hogere kosten dan
begroot. Vaak is er bij de oplevering ook nog het nodige op te merken over de
inhoud van hetgeen geleverd is.
Lange tijd wordt de oplossing gezocht in
betere voorbereiding, meer plannen, betere risicoanalyse, strakkere
faseovergangen in projecten, met andere woorden het verzwaren van de
watervalmethode waarmee IT-projecten werden uitgevoerd. In de grotere
organisaties heeft dit geleid tot formele processen en procedures met duidelijk
gekaderde verantwoordelijkheden vertaald naar aparte afdelingen of teams. Een
arbeidsdeling die prima past binnen de Tayloriaanse principes van organiseren.
Helaas blijkt dit verzwaren niet te helpen. Eén
van de standaardwerken waarin de problemen van softwareontwikkeling worden
beschreven is The Mythical Man-Month van
Frederick Brooks. Brooks schreef de eerste druk van dit boek in 1975 maar moet
in de 20-jarige jubileumuitgave concluderen dat er weinig veranderd is (Brooks,
1995) en dat geldt weer 20 jaar later nog steeds. De problemen zijn hardnekkig.
Op zoek naar antwoorden en met een schuin oog
kijkend naar de glorieuze voorbeelden van succesvolle IT-bedrijven zoals
Google, Amazon en Spotify is de laatste jaren agile omarmd als de panacee.
Agile zorgt voor wendbare IT-organisaties en voorspelbare IT-levering tegen
lage kosten, zo lijkt het.
Ik voel me aangetrokken tot twee facetten
rondom de Agile beweging die ervoor zorgen dat de belofte niet ingelost wordt:
het niet lukken van implementaties en de negatieve consequenties als het wel
lukt. Het verschil op de werkvloer is niet per se groot maar in het eerste
geval zal iedereen erkennen dat de verandering niet geslaagd is, terwijl in het
tweede geval een deel van de organisatie zal verkondigen dat ze heel agile is.
Hierbij spelen veel factoren een rol maar ik herken
een paar mechanismen die ik graag zou willen delen in de komende blog posts: